Vis vervangen door kip in visvoer: is dat een duurzame oplossing?
Good Fish – 29 oktober 2026
Lerøy kondigde onlangs (1) aan dat zij kippenbijproducten gaan inzetten als ingrediënt in zalmvoer. Daarmee komt een discussie die al langer speelt opnieuw volop in de aandacht: is het wenselijk om vismeel, soja of andere ingrediënten in visvoer te vervangen door producten afkomstig uit de pluimveesector?
Het antwoord is minder eenvoudig dan het op het eerste gezicht lijkt.
Waarom is deze discussie juist nu relevant?
Een belangrijke reden is dat vismeel en visolie onder druk staan. Wereldwijd is de beschikbaarheid van deze grondstoffen niet onbeperkt. Klimaatveranderingen, waaronder El Niño-effecten (6, 7), hebben invloed op belangrijke visserijen zoals de Peruaanse ansjovisvisserij. Tegelijkertijd neemt de vraag naar visvoer toe. Daardoor groeit de behoefte aan alternatieve eiwitbronnen.
Daarbij gaat het niet alleen om alternatieven voor vismeel en visolie. Een belangrijk deel van het huidige zalmvoer bestaat inmiddels uit plantaardige ingrediënten, waaronder soja. Sommige onderzoekers en voerproducenten zien pluimveemeel daarom juist als een alternatief voor sojaconcentraat. De discussie gaat daarmee niet alleen over het verminderen van de druk op wilde visbestanden, maar ook over de vraag welke combinatie van mariene, plantaardige en dierlijke grondstoffen uiteindelijk de laagste totale milieu-impact heeft.
Voorstanders zien kippenbijproducten daarom als een slimme vorm van reststroombenutting. Vanuit een circulair perspectief is dat begrijpelijk. Wanneer een kip toch al wordt geproduceerd voor menselijke consumptie, is het logisch om zoveel mogelijk onderdelen daarvan nuttig te gebruiken en verspilling te voorkomen.
Toch roept dit een bredere duurzaamheidsvraag op. De productie van kippenvlees heeft namelijk een aanzienlijke klimaatimpact. Niet voor niets adviseren veel overheden, wetenschappers en klimaatorganisaties om de consumptie van dierlijke eiwitten te verminderen als onderdeel van de transitie naar een duurzamer voedselsysteem.
De economische waarde van een dier wordt niet alleen bepaald door het vlees dat wordt verkocht voor menselijke consumptie, maar ook door de waarde van de reststromen. Wanneer veren, bloed, vetten en andere bijproducten een commerciële bestemming krijgen in bijvoorbeeld aquacultuurvoer, leveren deze stromen extra inkomsten op voor de pluimveeketen. Daardoor stijgt de totale economische waarde van iedere geproduceerde kip. Hoewel die meeropbrengst relatief klein kan zijn ten opzichte van de waarde van het vlees zelf, draagt zij wel bij aan het verdienmodel van de sector als geheel.
Dat betekent niet automatisch dat pluimveeproducten in visvoer onduurzaam zijn. Wel ontstaat de vraag in hoeverre dergelijke toepassingen indirect bijdragen aan het economische verdienmodel van een sector waarvan tegelijkertijd wordt verwacht dat deze op termijn minder grondstoffen, land en emissieruimte gaat gebruiken.
Met andere woorden: benutten we een bestaande reststroom die anders verloren zou gaan, of creëren we extra economische prikkels om een productiesysteem in stand te houden waarvan de maatschappelijke doelstelling juist is om het op termijn te verkleinen? Dat is geen eenvoudige vraag. Juist daarom verdient deze discussie meer aandacht dan alleen de directe klimaatwinst van een individueel voerrecept.
Wat betekent dit voor de VISwijzer?
Dat is misschien wel de lastigste vraag. Binnen de huidige systematiek wordt het gebruik van minder vismeel en visolie indirect beloond via indicatoren zoals de Fish Feed Dependency Ratio (FFDR). Wanneer vis wordt vervangen door kip, daalt de afhankelijkheid van wilde visbestanden. Dat leidt dus potentieel tot een betere score op dit onderdeel. Hier ontstaat precies het spanningsveld: een lagere afhankelijkheid van wilde visbestanden hoeft niet automatisch te betekenen dat de totale duurzaamheidsimpact ook lager wordt. Tegelijkertijd bevat de huidige methodologie geen specifieke beoordeling voor het gebruik van terrestrische dierlijke eiwitten, zoals kippenmeel of insecteneiwit.
De voorlopige conclusie van Good Fish
Het benutten van reststromen uit de pluimveesector klinkt logisch vanuit het voorkomen van verspilling. Tegelijkertijd maken deze reststromen onderdeel uit van een economische keten waarin iedere extra toepassing de totale waarde van het geproduceerde dier vergroot. Daarmee ontstaat de vraag of het gebruik van kippenbijproducten in aquacultuur een overgang ondersteunt naar een duurzamer voedselsysteem, of juist bijdraagt aan het economisch aantrekkelijk houden van een sector waarvan de klimaatimpact aanzienlijk is. De discussie gaat uiteindelijk over meer dan alleen voerformules. Het gaat ook over de vraag of de druk op mariene ecosystemen wordt verminderd door die deels te verschuiven naar landgebonden productiesystemen, of dat er oplossingen mogelijk zijn die zowel de afhankelijkheid van wilde vis als de afhankelijkheid van veehouderij verminderen.
Voor Good Fish staat centraal dat duurzaamheid meer is dan één indicator. Een lagere afhankelijkheid van wilde visbestanden is positief, maar moet altijd worden afgewogen tegen effecten op klimaat, biodiversiteit, circulariteit, dierenwelzijn en maatschappelijke acceptatie.
De kernvraag is daarom niet alleen of kip een geschikte vervanger is voor vismeel, maar ook welk voedselsysteem we op de lange termijn willen stimuleren.
Good Fish volgt de discussie daarom nauwgezet en zal de ontwikkelingen binnen de sector, de wetenschap en organisaties zoals WWF blijven volgen voordat een definitief standpunt wordt ingenomen.