Het bestand staat onder druk in IJsland en Faeröer (ICES 5). In West-Schotland (ICES 6) is de biomassa eveneens te laag en is de visserijdruk te hoog. Voor ten noorden van de Azoren (ICES 12) geldt hetzelfde beeld, met een bestand onder de voorzorgsgrens. Ook in Oost-Groenland (ICES 14) is de visserijdruk te hoog om het bestand op lange termijn in stand te houden. In Grand Banks en Flemish Cap (NAFO 3K–3O en SA2) lijkt het bestand stabiel, maar bevindt het zich rond de ondergrens van een duurzaam niveau en is de visserijdruk onzeker. In de Barentszzee en Noorse Zee (ICES 1 en 2) ligt de biomassa nog net boven de voorzorgsgrens, maar vormt de huidige visserijdruk een ernstig risico voor het bestand. Voor Diskobaai, Uummannaq en Upernavik (NAFO 1A, kustwateren) ontbreken voldoende gegevens om de toestand van het bestand betrouwbaar te beoordelen.
Van de beoordeelde vangstmethoden is grondbeugen de meest duurzame keuze. Deze methode heeft een lage CO₂-uitstoot, een beperkte invloed op de zeebodem en een gering risico op verloren vistuig. Geankerde kieuwnetten scoren minder goed door het grotere risico op bijvangst van beschermde soorten en verloren vistuig. De visserij met bodemottertrawls is het minst duurzaam, doordat deze de grootste schade aan kwetsbare habitats veroorzaakt, het ecosysteem sterker beïnvloedt en een hogere CO₂-uitstoot heeft.
Het beheer is wisselend, maar overwegend deels effectief. De bestanden worden gemonitord en voor verschillende gebieden gelden herstelmaatregelen of vangstbeperkingen, al volgen de quota niet altijd het wetenschappelijk advies en ontbreken in enkele gebieden duidelijke beheerafspraken. Er zijn geen aanwijzingen dat deze visserijen MSC-gecertificeerd zijn of deelnemen aan een FIP.